ECLI:NL:RBDHA:2022:14055
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen overdracht op grond van Dublinverordening afgewezen ondanks aangifte mensenhandel
Eiser, een Ugandees met een asielaanvraag in Nederland, werd door de IND op grond van de Dublinverordening overgedragen aan Zwitserland, dat verantwoordelijk is voor zijn asielprocedure. Eiser stelde dat hij als slachtoffer van mensenhandel in Nederland aangifte wil doen en dat hij daarvoor bedenktijd nodig heeft, verwijzend naar artikel 6 van Pro Richtlijn 2004/81/EG.
De rechtbank oordeelt dat Zwitserland terecht verantwoordelijk is verklaard en dat de stelling van eiser dat hij in Zwitserland geen aangifte kan doen, geen twijfel zaait over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Ook het belang van eiser om in Nederland aangifte te doen leidt niet tot het vernietigen van het besluit, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie.
De rechtbank benadrukt dat de feitelijke overdracht nog niet heeft plaatsgevonden en dat eiser de uitkomst van het beroep en de voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten. Er is geen sprake van belemmering van zijn aanvraagprocedure als slachtoffer van mensenhandel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het overdrachtsbesluit aan Zwitserland wordt ongegrond verklaard.