Eisers, allen van Armeense nationaliteit, hebben meerdere aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. Deze aanvragen zijn door de Staatssecretaris afgewezen omdat eisers niet voldeden aan de voorwaarden, met name voorwaarde c die ziet op het niet langer dan drie maanden onttrekken aan toezicht. Eisers voerden aan dat zij niet buiten beeld waren geweest en dat sprake was van een contra-indicatie e die niet juist werd toegepast.
De rechtbank analyseerde de feiten en het beleid, waarbij onder meer werd gekeken naar eerdere asielaanvragen, verblijfsprocedures en de interpretatie van het begrip 'onttrekken aan toezicht'. De rechtbank concludeerde dat eiser 1 tijdens een lopende verblijfsprocedure met onbekende bestemming was vertrokken, waardoor hij volgens het beleid terecht buiten beeld werd gesteld. De termijn van drie jaar die eiser aanvoerde was hier niet van toepassing.
Eisers stelden daarnaast dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat in vergelijkbare zaken vreemdelingen wel een verblijfsvergunning kregen ondanks soortgelijke omstandigheden. De rechtbank constateerde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom in die gevallen wel vergunningen werden verleend en aan eisers niet, wat een motiveringsgebrek opleverde.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval een nieuwe beoordeling binnen twaalf weken. Tevens veroordeelde zij verweerder in de proceskosten van €2.277,-. Er werd geen bestuurlijke lus toegepast omdat dit niet doelmatig werd geacht.