ECLI:NL:RBDHA:2022:14286
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening wegens onvoldoende spoedeisend belang bij urgentieverklaring huisvesting
Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden na bedreiging en mishandeling in haar woning, wat heeft geleid tot psychische klachten en behandeling sinds januari 2022. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft dit verzoek afgewezen omdat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarden, zoals het aantoonbaar reageren op woningen via Woonnet-Haaglanden en het niet volledig benutten van andere mogelijkheden om het huisvestingsprobleem op te lossen.
Verzoekster betwist de afwijzing en stelt dat het besluit onzorgvuldig is genomen en dat haar medische situatie onvoldoende is meegewogen. Zij wijst erop dat haar kinderen ook stress ervaren en dat de huidige woning haar herstel belemmert. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de medische verklaringen te algemeen en niet objectief genoeg zijn om een spoedeisend belang aan te nemen.
Daarnaast is het karakter van de te treffen voorziening voorlopig, waardoor toewijzing kan leiden tot onomkeerbare situaties. Gezien het restrictieve beleid en de grote woningnood acht de voorzieningenrechter het niet redelijk om verzoekster voorrang te verlenen. De hardheidsclausule wordt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast, en de situatie van verzoekster is niet zo schrijnend dat dit rechtvaardigt.
De rechtbank concludeert dat het spoedeisend belang onvoldoende is onderbouwd en dat de afwijzing van de urgentieverklaring terecht is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en niet voldoen aan voorwaarden voor urgentieverklaring.