ECLI:NL:RBDHA:2022:14458
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2022 behandeld en beoordeeld.
De rechtbank overweegt dat Nederland op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen als een andere lidstaat, hier Polen, verantwoordelijk is. Polen heeft het verzoek tot terugname van de asielzoeker aanvaard. Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt vanwege de situatie in Polen, onder meer gebaseerd op het AIDA-rapport en zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
De rechtbank stelt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt op een met het EVRM en EU-Handvest strijdige behandeling. De situatie in Polen, de heropening van de asielprocedure binnen negen maanden en het claimakkoord van Polen ondersteunen dit oordeel. Ook individuele omstandigheden van eiser, zoals eerdere detentie, leiden niet tot een ander oordeel.
Gelet hierop is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.