Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2022 in de zaken tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Waaraf:
Verrekening nabetalingsverplichting € 5.768,00
Verrekening bankschuld per 1-3-2009 € 107.696,28
Investering via Venderloan € 33.522,00
€ 4.325,00 +€ 151.311,28 -/-
€ 176.450,00 -/-
€ 31.575+
€ 95.397,14 -/-
Geschil17. In geschil is of de certificaten van aandelen van eiseres tot het inkomen uit werk en woning (box 1) dan wel tot het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) behoren. Indien de certificaten van aandelen in box 3 thuishoren is tevens de waarde van de certificaten van aandelen in geschil. Met betrekking tot het belastingjaar 2017 is in geschil of sprake is van negatief loon. Daarnaast is in geschil of verweerder, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen juist heeft vastgesteld. Tenslotte is de belastingrente in geschil.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de rentebeschikking gematigd moet worden omdat verweerder voor de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2017 een te lange behandeltermijn heeft gehanteerd. Verweerder heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de bijbehorende rentebeschikking binnen de daarvoor geldende termijn van vijf jaar zoals vermeld in artikel 16, derde lid, van de Algemene wet rijksbelastingen (Awr) opgelegd. Dat verweerder ten aanzien van de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2017 de redelijke termijn heeft overschreden (zie hierna onder rechtsoverweging 26) betekent niet dat om die reden de rentebeschikking met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 gematigd moet worden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien voortvarend gehandeld door binnen twee maanden na de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2017 de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 op te leggen.
19 december 2022 door de rechtbank uitspraak is gedaan, is vanaf de ontvangst van het oudste bezwaarschrift een periode van drie jaar en elf maanden verstreken zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsfase met één jaar en ruim elf maanden. Aan eiseres komt daarom een schadevergoeding toe van € 2.000 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar). De termijnoverschrijding komt volledig voor rekening van verweerder.
Beslissing
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 21/7855 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 21/3622 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2017 (zaaknummer SGR 21/3622);
- draagt verweerder op de aanslag IB/PVV 2017 vast stellen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.536 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dat correspondeert met een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 51 over dat belastbaar inkomen uit sparen en beleggen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 2.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 105,20;
- draagt verweerder op het in de zaak met nummer SGR 21/3622 betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.
19 december 2022.