ECLI:NL:RBDHA:2022:14798
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen en de zaak buiten zitting afgedaan.
Eiser stelde dat hij niet is gehoord in aanwezigheid van een registertolk Punjabi, wat volgens hem een fundamentele schending van de procedure is. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen registertolk beschikbaar was vanwege de vereiste spoed van de Dublinprocedure en dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-registertolk.
Daarnaast voerde eiser aan dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 en Pro 47 HvEU vanwege zijn vrees voor vervolging in Pakistan en het ontbreken van gefinancierde rechtsbijstand in Duitsland. De rechtbank concludeerde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en verweerder mag aannemen dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublinverordening wordt ongegrond verklaard.