ECLI:NL:RBDHA:2022:1489
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag wegens schijnhuwelijk en oplegging inreisverbod
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om een verblijfsdocument als familielid van een EU-burger. Verweerder wees dit verzoek af op grond van een vermoeden van een schijnhuwelijk met de Griekse echtgenote van eiser. Na nader onderzoek, waaronder een hoorzitting, concludeerde verweerder dat de verklaringen van eiser en zijn echtgenote op essentiële punten tegenstrijdig waren, wat duidt op een schijnhuwelijk.
Eiser betwistte het vermoeden en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat er geen gegrond vermoeden van misbruik bestond. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder op basis van meerdere indicatoren, waaronder het illegaal verblijf van eiser sinds 2014, het korte tijdsverloop tussen eerdere afwijzingen en het huwelijk, en tegenstrijdige verklaringen, terecht nader onderzoek heeft gedaan.
De rechtbank vond dat het huwelijk terecht als schijnhuwelijk is aangemerkt en dat het handelen van eiser frauduleus was, gericht op het verkrijgen van verblijfsrecht zonder aan de voorwaarden te voldoen. Het opgelegde inreisverbod werd als proportioneel beoordeeld. De hoorplicht werd niet geschonden omdat de rechtbank op basis van de stukken kon beslissen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsaanvraag en oplegging van een inreisverbod wordt bevestigd.