Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:14956

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
26 januari 2023
Zaaknummer
21_3608
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 lid 2 PwArt. 58 lid 8 PwArt. 9 Beleidsregels terug- en invordering WWB, IOAW en IOAZ 2013Art. 15 Beleidsregels terug- en invordering WWB, IOAW en IOAZ 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering bijstandsuitkering naar onjuiste kostendelersnorm bevestigd

Eiser ontving een bijstandsuitkering die volgens verweerder ten onrechte was vastgesteld naar de norm van een alleenstaande, terwijl eiser samenwoonde met zijn moeder en broer, waardoor de kostendelersnorm voor een driepersoonshuishouden van toepassing was. Verweerder herzag de uitkering en vorderde een bedrag van €5.578,38 terug.

Eiser maakte bezwaar en stelde onder meer dat hij niet kon weten dat de uitkering te hoog was en beriep zich op de zesmaandenjurisprudentie, die terugvordering na zes maanden na een signaal beperkt. De rechtbank oordeelde dat er geen concreet signaal van eiser was dat verweerder had moeten activeren en dat eiser redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de uitkering te hoog was.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de terugvordering handhaafde en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van de te veel betaalde bijstandsuitkering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/3608

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2022 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, verweerder

(gemachtigde: R.G.W. Paulissen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) per 1 oktober 2020 voortgezet naar de kostendelersnorm van een driepersoonshuishouden, de over de periode van 1 augustus 2019 tot 1 oktober 2020 toegekende Pw-uitkering herzien en de over die periode te veel aan eiser betaalde Pw-uitkering, een bedrag van € 5.578,38, van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 13 april 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Wel heeft verweerder de grondslag gewijzigd. Verweerder vordert voornoemd bedrag terug van eiser op grond van artikel 58, tweede lid, onder e, van de Pw.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1.1.
Eiser woont met zijn moeder en zijn broer samen op het adres [adres] [nummer] te [plaats].
1.2.
In juni 2018 is aan eiser een bijstandsuitkering toegekend naar de kostendelersnorm voor een driepersoonshuishouden. Verweerder heeft bij besluit van 31 juli 2019 de bijstandsuitkering van eiser per 1 augustus 2019 beëindigd, op de grond dat eiser aanspraak kon maken op studiefinanciering
.Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 26 november 2019 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 31 juli 2019 ingetrokken en de bijstandsuitkering van eiser voortgezet per 1 augustus 2019.
1.3.
Verweerder heeft halverwege oktober 2020 geconstateerd dat de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 augustus 2019 tot 1 oktober 2020 ten onrechte is uitbetaald naar de norm van een alleenstaande. Eiser had volgens verweerder een bijstandsuitkering moeten ontvangen naar de kostendelersnorm voor een driepersoonshuishouden. Bij het primaire besluit heeft verweerder daarom de bijstandsuitkering van eiser over voornoemde periode herzien en de teveel betaalde bijstandsuitkering, een bedrag van € 5.578,35, van eiser teruggevorderd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bij het primaire besluit vastgestelde terugvorderingsbedrag gehandhaafd, maar de grondslag hiervan gewijzigd. Volgens verweerder is de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 augustus 2019 tot 1 oktober 2020 per abuis uitbetaald naar de norm van een alleenstaande. Dit is een administratieve vergissing en de betaalde bijstandsuitkering dient daarom met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Pw van eiser te worden teruggevorderd. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser had kunnen weten dat hij teveel uitkering ontving.
Eiser heeft immers over voornoemde periode een hogere bijstandsuitkering uitbetaald gekregen dan waar hij recht op had. Daarom is er geen aanleiding om op grond van artikel 9 van Pro de beleidsregels af te zien van terugvordering. Er is geen sprake van onaanvaardbare financiële gevolgen. Verder is er geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden zoals genoemd in artikel 15 van Pro de beleidsregels om over te gaan tot kwijtschelding.
3. Eiser voert aan dat het voor verweerder duidelijk moet zijn geweest dat er teveel bijstand was verleend en dat er ook een signaal was dat er te veel aan uitkering verstrekt werd. Eiser doet hierbij een beroep op de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie.
Voorts stelt eiser dat het hem redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat er teveel bijstand werd verstrekt. Daarbij heeft hij er op gewezen dat de ingewikkelde gezinssituatie, zijn persoonlijke situatie en de onterechte stopzetting van de uitkering redenen zijn om te twijfelen dat hij kon weten dat er teveel uitkering werd verstrekt. Eiser is daarom van mening dat verweerder niet met terugwerkende kracht de uitkering kon terugvorderen.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Pw kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
Ingevolge artikel 58, achtste lid, van de Pw kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.2.
Ter uitoefening van de in artikel 58 van Pro de Pw gegeven bevoegdheid heeft verweerder beleid vastgesteld. Dat is neergelegd in de ten tijde hier in geding van toepassing zijnde Beleidsregels terug- en invordering WWB, IOAW en IOAZ 2013 (beleidsregels).
Uit artikel 2, aanhef en onder b, van de beleidsregels volgt dat verweerder ten volle gebruik maakt van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze hem op grond van artikel 58, tweede lid, van de Pw toekomt.
Op grond van artikel 3 van Pro de beleidsregels vordert verweerder een door hem na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte niet terug, voor zover deze uitkering ook zes maanden na ontvangst van dit signaal nog ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, tenzij sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Onder een signaal wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat verweerder op grond daarvan actie zou moeten ondernemen.
Op grond van artikel 9 van Pro de beleidsregels wordt van de terugvordering afgezien indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Uit de toelichting blijkt dat hiervan sprake is wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal het aannemelijk moeten zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten onrechte een uitkering ontving.
Niet is gesteld of gebleken dat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat.
4.3.
Eiseres heeft allereerst een beroep gedaan op de zesmaandenjurisprudentie. Dit houdt in dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd wordt beperkt indien het bestuursorgaan geen, onvoldoende of niet tijdig actie heeft ondernomen op een verkregen, voldoende concreet signaal dat (mogelijk) te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt en het bedrag van de ten onrechte verleende uitkering onnodig is opgelopen. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan dan geen gebruik meer worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel [1] .
Onder een voldoende concreet signaal dient te worden verstaan relevante informatie van de belanghebbende waaruit concreet kan worden afgeleid dat sprake is van een fout op grond waarvan het bestuursorgaan actie had moeten ondernemen [2] . Verweerder heeft dit ook neergelegd in artikel 3 van Pro de beleidsregels.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat van een (concreet) signaal van de kant van eiser niet is gebleken. Dat eiser naar zijn zeggen na een maand heeft doorgegeven dat zijn bijstandsuitkering naar een onjuiste norm werd uitbetaald en dat hij te veel aan bijstandsuitkering ontving, is door hem niet onderbouwd. Dit blijkt ook niet uit het dossier. Voorts kan de rechtbank uit de rechtmatigheidsformulieren over de periode van 1 augustus 2019 tot en met november 2019, die zich in het dossier bevinden, niet afleiden dat eiser daarin melding heeft gemaakt dat hij te veel aan bijstandsuitkering ontving. Het beroep op de zesmaandenjurisprudentie slaagt daarom niet.
4.5.
De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat eiser redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat aan hem een te hoge bijstandsuitkering werd uitbetaald. Zij overweegt daartoe dat eiser na de hervatting van de uitkering met ingang van 1 augustus 2019 een aanzienlijk hogere bijstandsuitkering ontving dan daarvoor, terwijl de gezinssamenstelling onveranderd was gebleven. Eiser woonde op dat moment nog altijd samen met zijn moeder en broer. De omstandigheid dat de bijstandsuitkering van de broer van eiser per 1 oktober 2019 was beëindigd omdat hij werk had gevonden, geeft geen reden anders te concluderen. Immers, de hervatting van de uitkering vond plaats met ingang van 1 augustus 2019 en toen had de broer van eiser nog geen werk gevonden. Overigens telt een huisgenoot die werkt, ook mee voor de kostendelersnorm. Bovendien was de uitkering van de moeder van eiser niet omhoog gegaan.
4.6.
Van dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering had moeten afzien, is de rechtbank niet gebleken. Op grond van artikel 9 van Pro de beleidsregels moet het aannemelijk zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten onrechte een uitkering ontving. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 4.5. is overwogen, is niet aannemelijk geworden dat eiser niet kon weten dat aan hem te veel aan uitkering werd betaald.
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden de over de periode van 1 augustus 2019 tot 1 oktober 2020 te veel betaalde bijstandsuitkering van eiser teruggevorderd.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:951.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2112.