Eiser ontving een bijstandsuitkering die volgens verweerder ten onrechte was vastgesteld naar de norm van een alleenstaande, terwijl eiser samenwoonde met zijn moeder en broer, waardoor de kostendelersnorm voor een driepersoonshuishouden van toepassing was. Verweerder herzag de uitkering en vorderde een bedrag van €5.578,38 terug.
Eiser maakte bezwaar en stelde onder meer dat hij niet kon weten dat de uitkering te hoog was en beriep zich op de zesmaandenjurisprudentie, die terugvordering na zes maanden na een signaal beperkt. De rechtbank oordeelde dat er geen concreet signaal van eiser was dat verweerder had moeten activeren en dat eiser redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de uitkering te hoog was.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de terugvordering handhaafde en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.