Eiseres diende op 31 mei 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder besloot niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden, waarna eiseres verweerder op 25 maart 2022 in gebreke stelde. Na het verstrijken van de ingebrekestelling stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Gezien de complexiteit en het belang van zorgvuldige besluitvorming legde de rechtbank een nieuwe beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het horen van eiseres over het voornemen.
De rechtbank wees een bestuurlijke dwangsom toe van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500,-. De bestuurlijke dwangsom kon niet worden vastgesteld wegens een tijdelijke wet die dit uitsluit, maar de rechtbank kon wel een dwangsom opleggen op grond van de Awb. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €379,50 toegekend aan eiseres wegens inschakeling van professionele rechtsbijstand.
De uitspraak benadrukt de balans tussen het belang van eiseres bij een tijdige beslissing en het belang van verweerder bij zorgvuldigheid, en bevestigt de mogelijkheid van de bestuursrechter om dwangsommen op te leggen ondanks tijdelijke wetswijzigingen.