Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 26 maart 2022, waarna de Staatssecretaris uiterlijk binnen zes maanden moest beslissen. Eisers stelden de Staatssecretaris na het verstrijken van deze termijn in gebreke en dienden vervolgens beroep in, wat ontvankelijk en gegrond werd verklaard.
De rechtbank besloot het onderzoek zonder zitting te sluiten, omdat partijen geen zitting wensten. De rechtbank legde een termijn van zestien weken op waarbinnen de Staatssecretaris eerst een gehoor moet afnemen en daarna het besluit moet nemen, conform het 8+8 wekenmodel. Tevens werd vastgesteld dat de tijdelijke opschorting van de bestuurlijke dwangsom niet van toepassing is, waardoor een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 wordt opgelegd voor het overschrijden van deze termijn.
Daarnaast werd de Staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers, vastgesteld op €418,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak benadrukt dat bij niet-naleving van de termijn de dwangsom zal worden geïnd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.