ECLI:NL:RBDHA:2022:15911
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Eiser, huurder van een woning in een appartementencomplex, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het kalenderjaar 2020, die door verweerder was vastgesteld op €159.000. Eiser stelde een lagere waarde van €130.000 voor, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, onder meer door vergelijking met verkoopprijzen van vergelijkbare woningen.
De rechtbank nam daarbij mee dat verweerder rekening had gehouden met de onderhoudstoestand en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de woning in slechtere staat verkeerde. Ook werd geoordeeld dat de invloed van de VvE-reserve en de indexatie van vergelijkingsobjecten niet tot een lagere waarde zouden leiden. Het door eiser aangedragen vergelijkingsobject werd als minder relevant beoordeeld.
Daarnaast kende de rechtbank eiser een vergoeding van immateriële schade toe vanwege overschrijding van de redelijke termijn voor de uitspraak. De overschrijding bedroeg ruim twee jaar, waarvan een deel aan de bezwaarfase en een deel aan de beroepsfase werd toegerekend. De schadevergoeding werd verdeeld tussen verweerder en de Minister voor Rechtsbescherming. Tevens werden proceskosten en griffierechten deels vergoed.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en bevestigde de vastgestelde WOZ-waarde, maar erkende het recht van eiser op een immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.