ECLI:NL:RBDHA:2022:16106
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering noodzakelijkheidsvereiste
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht, gevolgd door een inreisverbod van tien jaar. Na eerdere vernietiging van het besluit door de rechtbank, nam verweerder een nieuw besluit waarin het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond werd verklaard. Verweerder motiveerde dat de intrekking noodzakelijk was vanwege de ernstige strafrechtelijke voorgeschiedenis van eiser en diens beperkte gedragsverandering.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom intrekking noodzakelijk was en dat de bijzondere positie van jeugdrecht onvoldoende was meegewogen. De rechtbank oordeelde dat verweerder het motiveringsgebrek uit de eerdere uitspraak niet volledig had hersteld, met name omdat de mogelijkheid tot verlof binnen de PIJ-maatregel onjuist was voorgesteld en de positieve gedragsverandering van eiser onvoldoende was betrokken.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de glijdende schaal correct had toegepast, maar onvoldoende had gemotiveerd waarom intrekking noodzakelijk was in het kader van de openbare orde en waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitviel. Het besluit faalde daarmee in de evenredigheidstoets en werd vernietigd. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en verweerder moet een nieuw besluit nemen.