Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na diverse procedures en een intrekking van het bestreden besluit, verleende verweerder alsnog een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, maar geen vergunning voor onbepaalde tijd zoals eiser wenste.
De rechtbank oordeelt dat het beroep mede gericht is tegen het inwilligend besluit, maar dat eiser niet ambtshalve recht heeft op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zonder dat hij daarvoor een aparte aanvraag heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van de procedure is overschreden met een halfjaar, ondanks dat een deel van de procedure buiten beschouwing wordt gelaten vanwege het afwachten van prejudiciële vragen.
Verweerder wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500,- voor de overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van de kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige (€ 400,-). Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 1.897,50 en vergoed aan zijn rechtsbijstandverlener.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd af. De uitspraak is gedaan door rechter M.J.L. van der Waals en griffier J.C. de Grauw.