Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2022 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Strafverzwarende omstandigheden
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 8 maart 2022 uitspraak gedaan in een zaak over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2015, 2016 en 2017. De Belastingdienst had navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd wegens het niet aangeven van buitenlands vermogen, gebaseerd op gegevens verkregen van Zwitserse en Duitse autoriteiten en een huiszoeking waarbij contant geld en administratie werden aangetroffen.
Eiser heeft betwist dat de navorderingsaanslagen terecht zijn en stelde dat het niet aangegeven vermogen lager is dan door verweerder aangenomen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft nagevorderd en dat de aanslagen eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. Het vermoeden van (voorwaardelijk) opzet werd gegrond verklaard, mede door het aangetroffen contante geldbedrag en het ontbreken van volledige openheid van zaken.
De rechtbank vond echter dat niet alle strafverzwarende omstandigheden waren bewezen, waardoor de boetes van 300% niet passend waren. De boetes werden gematigd tot 150%, met uitzondering van de boete over 2017 die vanwege overschrijding van de redelijke termijn met 15% werd verminderd tot 127,5%. De beroepen tegen de boetebeschikkingen werden gegrond verklaard, terwijl de overige beroepen werden afgewezen.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen worden bevestigd en de vergrijpboetes gematigd tot 150%, met verdere matiging tot 127,5% voor 2017 wegens overschrijding redelijke termijn.