Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:235

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2022
Publicatiedatum
19 januari 2022
Zaaknummer
NL22.150
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen maatregel van bewaring wegens gebrek aan concreet zicht op uitzetting naar Algerije

Eiser, een Algerijnse nationaliteit bezittende vreemdeling, werd op 30 december 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de ophouding niet op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd en dat zijn recht op rechtsbijstand was geschonden. De rechtbank oordeelde dat het gebrek in het voortraject niet tot onrechtmatigheid van de maatregel leidde, maar dat het recht op rechtsbijstand niet was geschonden omdat eiser had aangegeven geen rechtsbijstand te wensen.

Eiser voerde verder aan dat het terugkeerbesluit onduidelijk was en dat concreet zicht op uitzetting naar Algerije ontbrak. De rechtbank verwierp de stelling over het terugkeerbesluit, maar oordeelde dat het zicht op uitzetting onvoldoende was omdat de Algerijnse autoriteiten nog niet voldoende medewerking verleenden, ondanks geplande presentaties.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen en beval de opheffing per 13 januari 2022. Tevens kende zij een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat in de proceskosten.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende zicht op uitzetting naar Algerije en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.150

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1976 en de Algerijnse nationaliteit te bezitten.
2. Bij besluit van 29 maart 2000 is eiser in Nederland tot ongewenst vreemdeling verklaard. Bij besluit van 24 december 2013 is eisers ongewenstverklaring opgeheven en is tegen hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren uitgevaardigd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat hij is veroordeeld voor een reeks misdrijven.
3. Op 30 december 2021 is eiser door de vreemdelingenpolitie (AVIM, Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel) overgenomen uit strafrechtelijke detentie en opgehouden voor onderzoek. Eiser voert aan dat hij niet op de juiste grondslag is opgehouden. De rechtbank volgt eiser in deze stelling. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 30 december 2021 om 13:00 uur blijkt dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw aangezien zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld. Reeds uit de omstandigheid dat uit ditzelfde proces-verbaal, alsmede uit het proces-verbaal van verhoor van 30 december 2021 om 13:34 uur, blijkt dat eiser tijdens de ophouding is verhoord ter vaststelling van zijn identiteit, volgt dat dit niet juist is. Volgens vaste jurisprudentie leidt dit gebrek in het voortraject niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring, maar dient er een belangenafweging plaats te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank valt deze belangenafweging niet in het voordeel van eiser uit, omdat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de maatregel van bewaring zijn gediend. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder wel op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw tot ophouding kon overgaan en dat de zes zware en vijf lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet zijn betwist.
4. Op 30 december 2021 om 16:40 uur is eiser gehoord in het kader van de inbewaringstelling. Hij voert aan dat hierbij zijn recht op rechtsbijstand is geschonden doordat zijn voorkeursadvocaat niet voorafgaand aan het gehoor is verwittigd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het proces-verbaal van dit gehoor blijkt namelijk dat eiser heeft meegedeeld geen rechtsbijstand tijdens het gehoor te wensen. Dit volgt niet alleen uit de tekst op het eerste blad, die volgens eiser een standaardtekstblokje is, maar ook uit de weergave van het vraaggesprek op blad 2 (bovenaan) en blad 4 (laatste antwoord).
5. Verder voert eiser aan dat het terugkeerbesluit (het voornoemde besluit van 24 december 2013), waarop de maatregel van bewaring is gestoeld, niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet omdat daarin in het midden wordt gelaten of eiser de Algerijnse, dan wel de Tunesische nationaliteit heeft. Anders dan eiser meent, is het terugkeerbesluit daarmee echter niet onvoldoende duidelijk. In een terugkeerbesluit mogen meer landen van terugkeer worden genoemd als er voor de betrokken vreemdeling meer mogelijke landen in beeld zijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155.
6. Ten slotte voert eiser aan dat concreet zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Daarbij wijst hij erop dat de Afdeling bij uitspraak van 17 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2092, heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt. Daarnaast voert hij aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er inmiddels, in weerwil van deze uitspraak, wel weer concreet zicht op uitzetting naar Algerije bestaat.
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit slechts overwogen dat na telefonisch contact met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) bleek dat er vanaf januari 2022 weer zicht op uitzetting naar Algerije zou zijn en dat niet is gebleken van het tegendeel. Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat er op 20 januari 2022, voor het eerst sinds het aantreden van een nieuwe consul, weer presentaties staan ingepland van vreemdelingen op de Algerijnse ambassade te Den Haag. Mede gelet op de omstandigheid dat eiser heeft verklaard mee te zullen werken, ligt het vervolgens in de rede dat de Algerijnse autoriteiten na de presentatie ook een laissez-passer zullen verstrekken.
8. In de voornoemde uitspraak van 17 september 2021 heeft de Afdeling overwogen dat de presentaties vanaf maart 2020 hebben stilgelegen en dat er al zeer lange tijd geen laissez-passers zijn verstrekt om vreemdelingen vanuit bewaring uit te kunnen zetten. De omstandigheid dat er op 20 januari 2022 kennelijk voor het eerst weer presentaties plaatsvinden duidt er weliswaar op dat de Algerijnse autoriteiten zich in enige mate coöperatief opstellen, maar is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor zicht op uitzetting namelijk mede bepalend of de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten. Bij wijze van voorbeeld verwijst de rechtbank hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:695. In het geval van Algerije is op dit moment nog niet gebleken dat dergelijke medewerking wordt verleend aangezien, zoals verweerder ter zitting ook heeft onderkend, nog niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten anders dan voorheen weer laissez-passers verstrekken om vreemdelingen vanuit bewaring uit te kunnen zetten.
9. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel van bewaring bevelen, met ingang van 13 januari 2022.
10. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank zal een schadevergoeding toekennen voor 14 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, tot een bedrag van € 1.460: te weten 2 x € 130 (verblijf politiecel) en 12 x € 100 (verblijf detentiecentrum).
11. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden vastgesteld op € 1.518 (bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en vermenigvuldigd met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 januari 2022;
 veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser ten bedrage van € 1.460 (veertienhonderdzestig euro), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.518 (vijftienhonderdachttien euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.