ECLI:NL:RBDHA:2022:235
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen maatregel van bewaring wegens gebrek aan concreet zicht op uitzetting naar Algerije
Eiser, een Algerijnse nationaliteit bezittende vreemdeling, werd op 30 december 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de ophouding niet op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd en dat zijn recht op rechtsbijstand was geschonden. De rechtbank oordeelde dat het gebrek in het voortraject niet tot onrechtmatigheid van de maatregel leidde, maar dat het recht op rechtsbijstand niet was geschonden omdat eiser had aangegeven geen rechtsbijstand te wensen.
Eiser voerde verder aan dat het terugkeerbesluit onduidelijk was en dat concreet zicht op uitzetting naar Algerije ontbrak. De rechtbank verwierp de stelling over het terugkeerbesluit, maar oordeelde dat het zicht op uitzetting onvoldoende was omdat de Algerijnse autoriteiten nog niet voldoende medewerking verleenden, ondanks geplande presentaties.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen en beval de opheffing per 13 januari 2022. Tevens kende zij een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende zicht op uitzetting naar Algerije en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.