Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Verweerder heeft gesteld dat eiseres niet in haar belangen is geschaad, nu ondanks de eventuele omissie de ambtenaren wel bevoegd waren volgens de huidige regelgeving, en voorts heeft hij gesteld dat hij ook anderszins een groot belang bij deze inbewaringstelling had. Eiseres is immers eerder op allerlei manieren de gelegenheid geboden om overgedragen te worden maar daaraan heeft eiseres in het geheel niet meegewerkt, de inbewaringstelling was het allerlaatste mogelijke middel om tot overdracht te komen. Dit gelet op het significante risico op onderduiken dat volgt uit de niet betwiste gronden en de uiterste overdrachtsdatum die was verlopen op 10 maart 2022. Eiseres heeft haar overdracht bovendien gefrustreerd door de PCR-test te weigeren, aldus verweerder.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;