Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 3 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Overwegingen
Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de voormelde overwegingen niet, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan worden gevolgd. Eiser heeft terecht gewezen op de lange duur van zijn activiteiten voor de Congrespartij en op de bij de zienswijze overgelegde verklaring van de heer [naam] dat eiser de laatste zes jaar een actieve werker voor de Congrespartij was en alle bijeenkomsten van die partij bijwoonde. Weliswaar ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat juist hij in de negatieve aandacht van de BJP is komen te staan, maar verweerder heeft niet, ook niet aan de hand van landeninformatie, duidelijk gemaakt waarom de geloofwaardig geachte activiteiten die eiser jarenlang voor de Congrespartij heeft verricht te marginaal zijn om aan te kunnen nemen dat dit wel het geval is.
Verweerder heeft zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat aan eiser drie keer is gevraagd hoe hij weet dat de personen door wie hij werd aangevallen leden waren van de BJP. In eerste instantie heeft eiser volgens verweerder verklaard dat hij met niemand anders problemen had. Wanneer aan eiser wordt gevraagd of hij concrete aanwijzingen heeft, geeft eiser in eerste instantie aan dat hij die niet heeft, om vervolgens te verklaren dat hij wel degelijk concrete aanwijzingen heeft. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat deze verklaringen als wisselend moeten worden aangemerkt. Eiser heeft in het gehoor veilig land van herkomst namelijk het volgende verklaard:
Hoe weet u dat de mensen die u hadden aangevallen lid waren van de BJP?
“ (r.o 8) De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474, onder 3.4.1., uitgelegd waaraan het onderzoek dat de staatssecretaris moet verrichten, moet voldoen voordat hij een land kan aanwijzen als veilig land van herkomst. Vereist is dat de staatssecretaris onderzoekt of, gelet op de toepasselijke regelgeving in het land, algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM plaatsvindt. Hij moet hierbij de juridische en feitelijke situatie in het land onderzoeken. Het herbeoordelingsonderzoek moet, zoals hiervoor is overwogen, aan dezelfde eisen voldoen.”
“(r.o 8.4) Dat de staatssecretaris opnieuw onderzoek moet verrichten, betekent niet dat hij daarbij het eerder verrichte onderzoek naar de situatie in een land niet als uitgangspunt van zijn onderzoek kan nemen en daarnaar kan verwijzen. Ook als de staatssecretaris nagaat wat er is veranderd ten opzichte van het eerdere onderzoek, kan hij het vereiste onderzoek verrichten en de vereiste motivering geven waarom het land nog steeds een veilig land van herkomst is. Wel moet worden gewaarborgd dat de informatie die de staatssecretaris gebruikt recent is en dateert van na dat eerdere onderzoek (zie punt 48 van de considerans van de Pri). Verder is vereist dat de staatssecretaris de herbeoordeling inzichtelijk motiveert om te verzekeren dat een vreemdeling daartegen kan opkomen en dat deze daadwerkelijk, effectief en zonder terughoudendheid door de bestuursrechter kan worden getoetst. Dit met het oog op de belangen die het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van Pro het EVRM beogen te beschermen.”
“ (r.o 8.5) De staatssecretaris moet dus ook over het nieuwe onderzoek, dat ten grondslag ligt aan de herbeoordeling, een kenbare en deugdelijke verantwoording afleggen. Hij moet een motivering geven over de door hem bij de aanwijzing gebruikte informatie en hoe hij daaruit de conclusie heeft getrokken dat een land in het licht van de maatstaven van artikel 3.37f van het VV 2000 een veilig land van herkomst blijft (vergelijk de vorengenoemde Afdelingsuitspraak van 14 september 2016, onder 3.5.).”
“ (r.o 8.6) (…) Als er [bij de herbeoordeling] indicaties zijn dat er wel relevante en wezenlijke wijzigingen in de veiligheidssituatie hebben plaatsgevonden, zal de motivering van de staatssecretaris uitgebreider moeten zijn en meer inzicht moeten bieden in de manier waarop hij het onderzoek naar die ontwikkelingen heeft verricht en aan de hand van welke bronnen hij dat heeft gedaan.”
democratisch bestuuren
vrijheid van godsdienst. Daarnaast is er sprake van een toenemend aantal politieke gevangenen en van toenemend geweld tegen journalisten. Ik concludeer hieruit dat sprake is van een aanmerkelijke achteruitgang op een van de eerste drie van de hierboven genoemde punten, te weten
democratisch bestuuren daarnaast is (aanmerkelijke) achteruitgang waarneembaar op de gebieden
vrijheid van meningsuitingen
vrijheid van godsdienst. Op grond hiervan is een uitgebreidere beoordeling van India aangewezen. De aanwijzing van India als veilig land van herkomst wordt in de tussentijd opgeschort.”
democratisch bestuur, vrijheid van meningsuitingen
vrijheid van godsdienst.Op grond hiervan is de aanwijzing van India als veilig land van herkomst opgeschort in afwachting van een uitgebreidere motivering.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;