Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek op de zitting
2.De tenlastelegging
primair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
subsidiair);
primair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
subsidiair), dan wel dat hij samen met anderen en met voorbedachten rade geprobeerd heeft [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (
meer subsidiair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
nog meer subsidiair), dan wel dat hij samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen tot het plegen van een moord c.q doodslag of zware mishandeling met voorbedachten rade of openlijke geweldpleging (
nog meer subsidiair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
meest subsidiair);
primair), dan wel dat hij hier medeplichtig aan is geweest (
subsidiair).
3.Bewijsoverwegingen
De officier van justitie is daarom van mening dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging moord en een openlijke geweldpleging.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.
Het berichtenverkeer dat zich in het dossier bevindt is onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van voorbedachte raad en er kan niet worden vastgesteld dat er opzet bestond om iemand van het leven te beroven. Weliswaar bevond de verdachte zich in de buurt van het steekincident, hij zat niet in de appgroep waarin werd gesproken over een vechtpartij en het meenemen van kleding en messen, er kan dan ook niet worden aangenomen dat hij wist wat er zou gebeuren. Dat op camerabeelden te zien zou zijn dat de verdachte steekbewegingen zou maken in een gesprek met de medeverdachten is onnavolgbaar, nu niemand die erbij heeft gestaan hierover verklaart of heeft verklaard dit te hebben gezien. De steekbeweging is bovendien een concluderende waarneming van de politie, die niet mag worden overgenomen. Maar zelfs indien deze conclusie juist zou zijn, zegt dat nog niets over zijn betrokkenheid bij het incident.
Verder dient het rapport waarin staat dat op de bij het basketbalveldje aangetroffen foedraal, DNA van de verdachte is aangetroffen van het te bewijs worden uitgesloten omdat de verdachte het recht op tegenonderzoek, waarvan hij gebruik had willen maken, is onthouden. Indien de rechtbank dit rapport evenwel toch voor het bewijs gebruikt, wordt voorwaardelijk verzocht dit tegenonderzoek alsnog te laten verrichten.
Ten aanzien van de belastende Snapchatberichten berichten en de berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die over de verdachte zouden gaan, is aangevoerd dat dit berichten zijn die gaan over achteraf gehoorde informatie die zij zelf niet zelf hebben gehoord. Deze gesprekken kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt.
De rechtbank heeft op deze beelden waargenomen dat [slachtoffer 2] voor [supermarkt] een woordenwisseling krijgt met de verdachte en de [medeverdachte 8] , waarna [slachtoffer 2] [supermarkt] in loopt, dat de verdachte en zijn medeverdachte daarna in de weer zijn met hun telefoon en dat na ongeveer vijf minuten 7 andere jongens het winkelcentrum binnenkomen. Op enig moment is te zien dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en zijn vriendin uit [supermarkt] komen en het winkelcentrum verlaten. Enkele seconden later is te zien dat alle jongens, waaronder de verdachte, naar de uitgang rennen waardoor aangevers het winkelcentrum net hebben verlaten.
Op de door de getuige gefilmde beelden heeft de rechtbank waargenomen dat de verdachte zich eerst in de buurt van [slachtoffer 2] bevindt en daarna richting [slachtoffer 1] rent.
Zowel aangever [slachtoffer 1] als [getuige 1] hebben verklaard dat ‘pak zijn tas’ werd geroepen, toen er al geweld tegen [slachtoffer 1] werd gebruikt. [getuige 1] noemt daarbij dat dit werd geroepen toen [medeverdachte 3] bij haar weg liep. Op de beelden is te zien dat op dat moment reeds een aantal jongens bij [slachtoffer 1] wegliep. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet vastgesteld worden wie van de verdachten de diefstal met geweld heeft gepleegd en moet de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
gevolgenvan de openlijke geweldpleging, namelijk dat het door de verdachte gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig letsel ten gevolge heeft gehad. Nog daargelaten dat van zwaar lichamelijk letsel niet is gebleken, kan uit de bewijsvoering naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de verdachte met zijn
eigenhandelen het letsel, te weten tinnitus (oorsuizen) heeft toegebracht.
Hiervoor is vastgesteld dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de slachtoffers steekwonden hebben opgelopen. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank dit ziet als ernstig letsel. Bij de beantwoording van de vraag of toegebracht letsel als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet worden aangemerkt dient echter de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel in aanmerking te worden genomen. De rechtbank heeft hiervoor reeds geconstateerd dat het dossier geen objectieve bewijsmiddelen bevat op grond waarvan de aard en ernst van de steekverwondingen, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel kan worden vastgesteld. De waarnemingen van de verbalisanten die het eerste ter plaatse waren en de beknopte verklaringen van de slachtoffers zelf zijn ontoereikend om het letsel van de beide slachtoffers aan te kunnen merken als zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank zal de conclusie van de politie dat zij op de beelden hebben gezien dat de verdachte een stekende beweging maakt, dan ook voor het bewijs bezigen.
Om 23:27:31 uur zegt [medeverdachte 9] op enig moment ‘heb je hem geraakt, kkr soldaat’ met daarbij smileys. “ [Gebruikersnaam 5] ” antwoordt met ‘ik was de hele tijd met Turk’ gevolgd door een smiley. Ene [naam] (door de politie niet nader geïdentificeerd) zegt daarop: ‘Ai ai’. [medeverdachte 9] zegt dan: ‘hij zegt [naam] ik ken jou, help me, [naam] waarom doe je die’ wederom gevolgd door smileys.
[medeverdachte 10] zegt immers in het Snapchatgesprek dat hij met ‘Turk’ was en [medeverdachte 9] antwoordt daarop dat hij hoorde dat het slachtoffer riep ‘ [naam] , je kent me, waarom doe je die [naam] ’ en in het telefoon gesprek tussen [Gebruikersnaam 11] en [Gebruikersnaam 10] zegt [Gebruikersnaam 11] : hoezo hebben ze Turk niet en ‘het enigste wat die van Turk weet is de naam’ waarna [Gebruikersnaam 11] zegt ‘ [naam] en [naam] ’. [medeverdachte 12] is niet van Turkse afkomst.
De rechtbank constateert dat medeverdachte [medeverdachte 9] verklaart over iets wat hij heeft gehoord (en dus niet iets wat hij van iemand heeft gehoord) en dat ook [medeverdachte 10] verklaart over met wie hij zelf aanwezig was.
In zijn verhoor bij de politie verklaart medeverdachte [medeverdachte 1] dat hij van de verdachte had gehoord dat diens voordeur in brand was gestoken. [28] Uit het dossier volgt verder dat de voordeur van de verdachte op 22 juni 2021 in brand is gestoken. [29] Gelet hierop acht de rechtbank de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrouwbaar en deze gesprekken zullen dan ook voor het bewijs worden gebezigd.
Uit de aangehaalde passages leidt de rechtbank verder af dat de verdachte uitgebreid spreekt over het gebruik maken van het zwijgrecht, denkt dat de politie bewijs heeft, bang is dat de medeverdachten zullen verklaren en dat hij denkt dat de politie hem dan weer gaat zoeken. Ook zegt hij dat hij nog geen strafblad heeft, hij spreekt over een voorwaardelijke straf en zegt ‘als je dan iets doet, je 2 jaar moet zitten’, waaruit de rechtbank afleidt dat dat de verdachte er serieus rekening mee houdt dat hij een straf opgelegd zal krijgen.
Nu de raadsvrouw echter ter zitting voorwaardelijk heeft verzocht om een tegenonderzoek en de rechtbank dit verzoek alsnog beoordeelt, is de verdachte naar het oordeel van de rechtbank daardoor niet in zijn belangen geschaad
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat zij verzoekt om een tegenonderzoek omdat niet uit het rapport volgt of één of meerdere profielen aan de buitenzijde van het rapport zijn aangetroffen, terwijl de bewijswaarde van het DNA van verdachte op het foedraal aan waarde inboet als daarop ook DNA van anderen is aangetroffen.
De rechtbank heeft geconstateerd dat in het rapport staat vermeld dat uit een bemonstering of referentiemonster DNA wordt geïsoleerd en van het verkregen DNA-extract de DNA-concentratie wordt bepaald. Indien de gemeten DNA-concentratie lager is dan 0,001 ng/pl wordt het DNA-onderzoek gestopt en wordt er geen DNA-profiel opgemaakt. Bij een gemeten DNA-concentratie van 0,001 ng/pl of hoger, wordt er wél een DNA-profiel opgemaakt. [35] .
De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen en het rapport bezigen voor het bewijs.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zelfs áls DNA van andere personen op de buitenzijde van het foedraal zou zijn aangetroffen, dit niet afdoet aan het gegeven dat tevens DNA van de verdachte op het foedraal is aangetroffen en voorts dat in het licht van de overige bewijsmiddelen, het NFI rapport door de rechtbank niet wordt gebezigd als centraal bewijsmiddel waarop de bewijsconstructie steunt, maar als aanvullend stuk ter overtuiging.
De rechtbank leidt voorts uit het getapte telefoongesprek tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] af dat de verdachte ‘echt wat heeft gedaan’ en [slachtoffer 3] heeft gestoken. Deze gevolgtrekking wordt versterkt door het feit dat [medeverdachte 1] bij de politie heeft verklaard van de verdachte te hebben gehoord dat zijn voordeur in brand was gestoken. Het behoeft geen nader betoog, dat het steken van een van de slachtoffers een significante rol is in het gepleegde geweld.
Daar komt bij dat op de camerabeelden van het [pleintje] aan de [straatnaam] door de politie ook is gezien dat de verdachte kort na het steekincident in een groepje aan het praten is en daarbij een steekbeweging maakt.
Uit het Snapchatgesprek van 8 juni 2021 volgt verder nog dat ook de verdachte zelf zegt dat ze de skatebaan ‘kk heet’ hebben gemaakt, vreesde te worden opgepakt, straf te krijgen en al bij voorbaat aangaf op alle vragen te zullen zwijgen, hetgeen hij ook heeft gedaan.
gevolgenvan de openlijke geweldpleging, namelijk dat het door de verdachte gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig letsel ten gevolge heeft gehad, overweegt de rechtbank het volgende.
4.De bewezenverklaring
[lokatie], te weten op of nabij het basketbalveldje/pleintje aldaar, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , welk geweld bestond uit:
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf
Tevens is de verdachte is samen met anderen, betrokken geweest bij ernstig openlijk geweld tegen twee jonge slachtoffers (15 en 16 jaar). [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn op een basketbalveldje aangevallen door een groep jongens en daarbij geschopt, geslagen en meerdere malen met een mes gestoken. Alle daders zijn direct weggerend. Geen van hen heeft op enig moment nadien verantwoordelijkheid genomen voor de aanval, of voor een eigen aandeel daarin. Ook zonder dat er helderheid is gekomen over de aanleiding voor de vechtpartij kan voor een dergelijke uitbarsting van buitensporig geweld geen enkele rechtvaardiging worden gevonden. De verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan dit geweld waarbij bewezen is verklaard dat hij een van de slachtoffers heeft gestoken. De rechtbank rekent hem dat ernstig aan.
De rechtbank vindt een aanzienlijke jeugddetentie op zijn plaats, waarvan een gedeelte voorwaardelijk zal worden opgelegd. In de hierboven besproken omstandigheden ziet de rechtbank bovendien aanleiding om de verdachte daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte gelet op de ernst van de feiten terug naar de jeugdgevangenis zou moeten. Nu de rechtbank de verdachte van een deel van de feiten vrijspreekt en daarmee tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, acht zij een detentiestraf gelijk aan het voorarrest meer passend.
8.Beslag
9.De toepasselijke wetsartikelen
10.De beslissing
200 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd, die wordt vastgesteld op
twee jaren, houdt aan de volgende voorwaarden:
- [Slachtoffer],
- [Medeverdachte];
- [Medeverdachte];
[Medeverdachte];
[Medeverdachte],
dadelijk uitvoerbaarzijn;
80 UREN;
40 DAGEN;