ECLI:NL:RBDHA:2022:2748
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking exploitatievergunning seksbedrijf wegens aanwijzingen mensenhandel niet onrechtmatig
De burgemeester van Den Haag trok op 2 oktober 2019 de exploitatievergunning van een seksbedrijf van eiseres voor zes maanden in vanwege aanwijzingen dat een persoon werkzaam in het bedrijf slachtoffer was van mensenhandel, terwijl eiseres deze signalen niet had gemeld bij het Haags Economisch Interventie Team (HEIT).
Eiseres stelde onder meer dat het voorschrift dat intrekking verplicht stelt onverbindend is, dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor mensenhandel, dat de intrekking in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en de onschuldpresumptie, en dat het Handhavingsarrangement niet was gevolgd. Verweerder betwistte deze standpunten en benadrukte het belang van het tegengaan van mensenhandel.
De rechtbank oordeelde dat het voorschrift niet onverbindend is en dat de intrekking geen strafrechtelijke sanctie (criminal charge) vormt, maar een bestuurlijke maatregel gericht op het herstellen van de openbare orde. Er waren voldoende concrete aanwijzingen dat een persoon slachtoffer was van mensenhandel, gebaseerd op verklaringen van een beheerder, politieonderzoek en observaties van toezichthouders. De intrekking was evenredig en noodzakelijk om herhaling te voorkomen.
De rechtbank verwierp de stelling dat de onschuldpresumptie was geschonden omdat verweerder geen oordeel over schuld gaf. Ook het niet aanpassen van het Handhavingsarrangement na wijziging van de APV deed niet af aan de rechtmatigheid van het besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de exploitatievergunning wegens aanwijzingen van mensenhandel wordt ongegrond verklaard.