ECLI:NL:RVS:2019:2452
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking jachtakten na verdenking onrechtmatig jagen en gevaar veroorzaken
De korpschef van politie trok op 16 mei 2017 de jachtakten van appellanten in nadat zij verdacht werden van het jagen op beschermde eenden zonder bevoegdheid en het veroorzaken van gevaar voor weggebruikers. De minister verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond en de rechtbank Limburg bevestigde dit op 3 september 2018. Appellanten stelden dat de onschuldpresumptie was geschonden omdat zij later werden vrijgesproken in de strafzaak en dat zij onterecht hadden moeten melden dat er een strafrechtelijke procedure liep.
De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de onschuldpresumptie niet was geschonden omdat de bestuursrechtelijke besluiten slechts een vermoeden van onzorgvuldig gebruik van de jachtakte uitdrukten, zonder schuld vast te stellen. De intrekking was gebaseerd op een objectief toetsbare geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het beschikken over de jachtakten, mede gebaseerd op verklaringen van getuigen en appellanten zelf. De vrijspraak in strafrechtelijke zin deed hieraan niet af.
Verder was het terecht dat appellanten op het inlichtingenformulier melding hadden moeten maken van de strafrechtelijke procedures, gezien het incident waarbij de jachtakten werden gebruikt. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de jachtakten wordt bevestigd ondanks de vrijspraak in de strafzaak.