Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder
Procesverloop
22 februari 2022 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland om oeververvanging met verankering langs en in zijn percelen te gedogen. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de werkzaamheden op te schorten totdat uitspraak in de bodemprocedure is gedaan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat de werkzaamheden, waaronder het plaatsen van groutankers, vóór de uitspraak in de bodemprocedure zullen plaatsvinden. Echter weegt het belang van verweerder, die de stabiliteit van de oeverconstructie wil waarborgen en de planning wil handhaven, zwaarder dan het belang van verzoeker.
De voorzieningenrechter benadrukte dat verzoeker laat is met zijn verzoek en dat het uitstellen van de werkzaamheden grote vertraging en veiligheidsrisico’s met zich mee zou brengen. Ook is aangegeven dat verweerder nog kan overgaan tot onteigening of compensatie in de bodemprocedure. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de werkzaamheden mogen doorgaan.