De zaak betreft het beroep van een omwonende tegen het besluit van de burgemeester van Den Haag om nachtontheffingen te verlenen aan twee horeca-inrichtingen voor de uren tot 05:00 uur op vrijdag, zaterdag en zondag met een geldigheidsduur van tien jaar.
De primaire besluiten verleenden ontheffingen tot 06:00 uur, maar deze werden herroepen en vervangen door het bestreden besluit met een sluitingstijd van 05:00 uur. Eiser stelde dat de ontheffingen onrechtmatig zijn vanwege een lopend strafrechtelijk onderzoek, onvoldoende onderzoek naar overlast en het niet starten van een bibob-onderzoek.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester de ontheffingen terecht heeft verleend op grond van artikel 2:29, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. Het onderzoek naar overlast was voldoende en de beperkte meldingen rechtvaardigen geen weigering. Het niet starten van een bibob-onderzoek is discretionair en niet onredelijk, mede gezien eerdere onderzoeken zonder weigering.
Het verzoek om getuigen te horen wordt afgewezen omdat het ambt van burgemeester het besluit nam en vertegenwoordigers het besluit hebben toegelicht. De rechtbank wijst het beroep af en erkent dat één dwangsom verschuldigd is wegens termijnoverschrijding.