ECLI:NL:RBDHA:2022:3039

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2022
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
NL22.4563
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 447E Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard

Eiser is op 13 maart 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. Eiser betoogde dat hij onrechtmatig was staande gehouden vanwege een vermeende verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding en dat zijn medische bijzonderheden onvoldoende waren meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat de staandehouding niet vreemdelingrechtelijk was, maar voortkwam uit een strafrechtelijke politietaak in verband met een melding van kraken. De verbalisanten konden de identiteit van eiser niet direct vaststellen, wat de aanhouding rechtvaardigde. De medische omstandigheden van eiser waren onvoldoende onderbouwd, aangezien hij niet wilde antwoorden op vragen over medicijngebruik of behandeling.

Voorts was het handelen van verweerder voortvarend genoeg, aangezien de eerste vertrekhandeling binnen zes dagen na inbewaringstelling plaatsvond en een vlucht op dag vijf was aangevraagd. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.4563

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 18 maart 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 22 maart 2022 een verweerschrift ingediend. Op 25 maart 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] te Riga (Letland) en van onbekende nationaliteit te zijn.
2. Volgens eiser is hij op onrechtmatige wijze staande gehouden omdat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding. Eiser voert aan dat de stellingen in het proces-verbaal van bevindingen dat de verbalisanten hem konden vinden in het politiesysteem en dat hij is aangehouden omdat zijn identiteit niet kon worden vastgesteld, niet met elkaar rijmen. Ook voert eiser aan dat de omstandigheid dat hij een woning aan het kraken zou zijn geweest niet voldoende is om een vermoeden van illegaal verblijf te rechtvaardigen, wat wel nodig is voor een vreemdelingrechtelijke staandehouding.
3. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. Uit het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2022 blijkt dat de verbalisanten afgingen op een melding van kraking. Dit is een strafrechtelijke politietaak. Verder blijkt uit dit proces-verbaal dat eiser slechts een document bij zich had waaruit bleek dat zijn identiteitsdocument was ingenomen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de verbalisanten eisers identiteit niet meteen konden vaststellen, waarop eiser werd aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht. Er is dan ook geen sprake is van een (verkapte) vreemdelingrechtelijke staandehouding.
4. Verder voert eiser aan dat de door hem naar voren gebrachte medische bijzonderheden ten onrechte niet zijn benoemd in het bestreden besluit. Eiser wijst erop dat hij heeft verklaard dat hij zich fysiek zwak voelde en dat hij gestrest was. Ook hierin volgt de rechtbank eiser niet. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor van 13 maart 2022 blijkt namelijk dat eiser niet heeft willen antwoorden op de vraag of hij medicijnen gebruikt of onder behandeling van een arts staat. Verweerder heeft daarom, ter onderbouwing van het standpunt dat een lichter middel in het geval van eiser in verband met zijn gezondheidssituatie niet is aangewezen, mogen volstaan met de overwegingen dat eiser is gewezen op de mogelijkheid om een arts te spreken en dat de medische zorgverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
5. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door pas op de vierde dag na zijn inbewaringstelling een vertrekgesprek met eiser te voeren en geen vlucht aan te vragen terwijl de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het echter voldoende voortvarend om op de zesde dag na inbewaringstelling een eerste vertrekhandeling te verrichten. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verweerder op 18 maart 2022, de vijfde dag na de inbewaringstelling, een vlucht voor eiser heeft aangevraagd. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.