Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde-partij], te [woonplaats] , belanghebbende.
Rechtbank Den Haag
Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg om handhaving van het gebruik van een binnenplaats, wat werd geweigerd bij een besluit van 28 februari 2018. Na bezwaar en eerdere procedures stelde de rechtbank in een tussenuitspraak dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was, met name over de vraag of de overtreding met betrekking tot houtopslag was beëindigd.
Verweerder kon niet aantonen dat de overtreding was beëindigd, omdat het rapport van 15 juli 2019 hierover geen duidelijke gegevens bevatte. Eiser betoogde dat de controleverslagen tekortschoten en dat de handhaving door verweerder al lange tijd niet adequaat was. De rechtbank oordeelde dat het gebrek in het besluit niet was hersteld en verklaarde het beroep gegrond wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro.
Desondanks besloot de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de overtreding op 5 november 2019 was beëindigd. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter C.T. Aalbers en uitgesproken op 5 april 2022.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, met in stand blijvende rechtsgevolgen.