ECLI:NL:RBDHA:2022:4628
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag koptisch christen wegens ongeloofwaardige eerwraak en onvoldoende risico op vervolging
Eiser, een Egyptische koptisch christen, vreesde vervolging en eerwraak vanwege zijn geloof en persoonlijke omstandigheden. Hij stelde dat hij in Egypte onderdrukking, bedreiging en een aanval had ondergaan, en dat de familie van zijn verloofde hem wilde vermoorden wegens eerwraak.
Verweerder wees de asielaanvraag af op grond van ongeloofwaardigheid van de verklaringen over eerwraak en het ontbreken van een reëel risico op vervolging vanwege zijn religie. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen over eerwraak inconsistent en ongeloofwaardig waren, onder meer vanwege tegenstrijdige verklaringen over medische onderzoeken en het hebben van gemeenschap voor het huwelijk.
Verder werd geoordeeld dat koptische christenen in Egypte niet als kwetsbare minderheid worden aangemerkt en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geen bescherming van de autoriteiten kon inroepen of zich elders in Egypte kon vestigen. Ook de stelling dat christelijke tatoeages hem zouden bedreigen werd niet onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid van de vrees voor eerwraak en onvoldoende aannemelijk risico op vervolging.