ECLI:NL:RBDHA:2022:4713
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder rechtmatig bevonden tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek.
De eiser voerde aan dat onvoldoende concreet zicht bestond op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn, mede vanwege onduidelijkheid over de afgifte van laissez-passers door de Tunesische autoriteiten. De rechtbank stelde vast dat de Tunesische autoriteiten bereid zijn laissez-passers af te geven zodra identificatie heeft plaatsgevonden, maar dat de identificatie vertraagd wordt door het gebrek aan medewerking van eiser.
De rechtbank nam mee dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd en dat hij een alias heeft opgegeven bij Belgische autoriteiten. Verder bleek uit het verweerschrift dat in voorgaande jaren diverse laissez-passers zijn afgegeven en vreemdelingen zijn uitgezet. Het feit dat in 2022 nog geen uitzetting heeft plaatsgevonden, werd toegeschreven aan het weigeren van een coronatest of het niet beschikbaar zijn van vreemdelingen.
Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat er voldoende zicht op uitzetting bestaat en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.