Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[Naam], eiseres
Procesverloop
Overwegingen
WBV 2019/9.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, van Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging voorlopig verblijf (mvv) om bij haar meerderjarige dochter, de referente, in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet voldaan werd aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid en geen sprake was van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank overwoog dat de referente ten tijde van de aanvraag 33 jaar was, wat een indicatie is voor zelfstandigheid, en dat eiseres geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die het ontbreken van zelfstandigheid konden onderbouwen. Hoewel eiseres afhankelijk was van de referente, was dit onvoldoende om te spreken van meer dan normale emotionele banden of bijzondere afhankelijkheid.
De rechtbank stelde vast dat samenwonen en mantelzorg door de referente niet automatisch leiden tot het aannemen van bijzondere afhankelijkheid. Ook financiële en medische afhankelijkheid waren niet voldoende onderbouwd. De emotionele band tussen eiseres en referente overstijgt volgens de rechtbank niet de gebruikelijke ouder-kindrelatie.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bijzondere afhankelijkheid tussen eiseres en haar meerderjarige dochter.