ECLI:NL:RBDHA:2022:5683
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning mensenhandel en afwijzing wijziging verblijfsdoel
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, ontving een verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel voor de periode 14 juli 2020 tot 14 juli 2021. Na een sepotbesluit van de Officier van Justitie op 29 maart 2021, waarin werd vastgesteld dat geen sprake was van mensenhandel, trok de staatssecretaris de vergunning met terugwerkende kracht in. Tevens werd een aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel naar humanitair niet-tijdelijke gronden afgewezen.
Eiser voerde aan dat de intrekking niet bevoegd was, dat het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden en dat het beklag het sepotbesluit schorsend werkte. Daarnaast stelde hij dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen op grond van artikel 64 Vw Pro. De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat sinds 29 maart 2021 niet meer werd voldaan aan de voorwaarden van de vergunning. De intrekking met terugwerkende kracht was niet kennelijk onredelijk en het beklag schort het besluit niet op.
Ten aanzien van de wijziging van het verblijfsdoel stelde de rechtbank vast dat eiser niet voldeed aan de criteria voor een verblijfsvergunning op humanitaire niet-tijdelijke gronden, omdat de psychische klachten geen rechtstreeks verband hielden met mensenhandel. De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing wijziging verblijfsdoel is ongegrond verklaard.