ECLI:NL:RVS:2013:BZ9028
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunningen vreemdelingen
Bij besluit van 22 juli 2010 heeft de minister van Justitie de verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd van twee vreemdelingen ingetrokken, met terugwerkende kracht tot 14 december 2009, naar aanleiding van een niet-ontvankelijk verklaarde klacht tegen niet-vervolging van mensenhandel. De vreemdelingen maakten bezwaar, welke door de minister ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde de besluiten, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de intrekking met terugwerkende kracht niet kennelijk onredelijk is, gelet op de toepasselijke wet- en regelgeving en de omstandigheden van het geval. De rechtbank had ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris geen rekening hield met de belangen van vreemdeling 1. De Afdeling stelt dat vreemdeling 1 rekening moest houden met intrekking per datum gerechtshofuitspraak en dat er geen aanwijzingen zijn voor terugvordering van verstrekkingen.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €472,00. De staatssecretaris dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunningen wordt bevestigd met terugwerkende kracht; tevens wordt proceskostenvergoeding toegewezen.