ECLI:NL:RBDHA:2022:5957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2022
Publicatiedatum
22 juni 2022
Zaaknummer
NL21.12086
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit asielaanvraag wegens niet tijdig herstel motiveringsgebrek

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep tegen een besluit van 28 juni 2021 betreffende een asielaanvraag. In een eerdere tussenuitspraak van 19 april 2022 was vastgesteld dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevatte. Verweerder werd in de gelegenheid gesteld dit gebrek binnen acht weken te herstellen.

Verweerder gaf op 2 mei 2022 aan gebruik te willen maken van deze herstelmogelijkheid, maar heeft dit niet binnen de gestelde termijn gedaan. Hierdoor is het motiveringsgebrek niet hersteld, waardoor het beroep gegrond wordt verklaard en het besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank kan zelf niet in de zaak voorzien omdat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de aannemelijkheid van de vermoedens over de situatie bij terugkeer aan verweerder toekomt. De rechtbank draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de eerdere uitspraken.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.518,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door rechter A.P. Hameete en griffier H.L. de Vries en is openbaar bekendgemaakt op 22 juni 2022.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens niet tijdig herstel van het motiveringsgebrek en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.12086

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot 19 april 2022 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum.
Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het gebrek in het bestreden besluit van 28 juni 2021 te herstellen.
Bij bericht van 2 mei 2022 heeft verweerder aangegeven gebruik te willen maken van de herstelmogelijkheid.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor een weergave van de feiten en de standpunten van partijen naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit en verweerder in de gelegenheid gesteld om dit gebrek binnen acht weken na 19 april 2022 te herstellen. Verweerder heeft weliswaar aangegeven gebruik te willen maken van de herstelmogelijkheid, maar dit niet binnen de gestelde termijn gedaan. Het gebrek is dus niet hersteld. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om de geloofwaardigheid van een asielrelaas en de aannemelijkheid van de vermoedens over wat de vreemdeling bij terugkeer te wachten staat te beoordelen en die beoordeling deugdelijk te motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder via een tweede tussenuitspraak nogmaals in de gelegenheid te stellen om het geconstateerde gebrek te herstellen. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van de tussenuitspraak en de onderhavige uitspraak, een nieuw besluit te nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit ;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. de Vries, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.