ECLI:NL:RBDHA:2022:597

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
31 januari 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 4891
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op herziening en nabetaling OVW-periodieken met terugwerkende kracht

Eiseres verzocht om herziening en nabetaling van onvermijdelijk verzwarende omstandigheden (OVW) periodieken met terugwerkende kracht tot 1 juli 2016, de datum van haar plaatsing als Generalist Intelligence. Het primaire besluit van 21 april 2021 kende OVW-periodieken toe vanaf 6 februari 2020, maar verweerder verklaarde het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond omdat het eerdere besluit van 16 december 2014 in rechte vaststaat.

Eiseres betoogde dat zij het besluit van 2014 nooit heeft ontvangen en daarom geen bezwaar kon maken, en dat zij recht heeft op bezoldiging inclusief OVW vanaf haar plaatsing in 2016. De rechtbank oordeelde dat eiseres had moeten verzoeken om toezending van het besluit of bezwaar maken, en dat haar gemachtigde handelingen namens haar verrichtte. Een herzieningsverzoek wordt als een herhaalde aanvraag beoordeeld en kan alleen worden ingewilligd bij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

De rechtbank stelde vast dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 augustus 2020 geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is en dat het plaatsingsbesluit van 10 juni 2017 geen aanleiding geeft tot herziening. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die het onredelijk maken om het besluit van 2014 niet te herzien voor de periode vóór 6 februari 2020.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot nabetaling OVW-periodieken vanaf 1 juli 2016 wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/4891

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: M.H. Dedding).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om herziening van het besluit van 16 december 2014 met ingang van de datum van het verzoek, 6 februari 2020, toegewezen. Dat wil zeggen dat zij vanaf die datum periodieken onvermijdelijk verzwarende omstandigheden (OVW) toegekend krijgt als ware aan de functie 24 of meer OVW-periodieken toegekend.
Bij besluit van 28 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2021.
Aanwezig waren eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1.1.
Op 6 februari 2020 heeft mr. [A] namens een groep medewerkers en generalisten intelligence, waaronder eiseres, verweerder verzocht om terug te komen van de besluiten van 16 december 2014. De besluiten van 16 december 2014 gaan over de eventuele aanspraken op periodieken OVW-periodieken en de (na)betaling daarvan als gevolg van de overgang naar het LFNP per 1 januari 2012. In deze brief heeft mr. Coppens verzocht de besluiten van 16 december 2014 te herzien en vast te stellen dat deze groep medewerkers vanaf de dagtekening van dit verzoek recht heeft op nabetaling van OVW-periodieken, omdat aan de functie van de medewerker dan wel generalist intelligence 24 of meer OVW punten dienen te worden toegekend.
1.2.
Bij het primaire besluit is dit verzoek ingewilligd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat zij van mening is dat zij met ingang van 1 juli 2016, de datum van plaatsing van eiseres in de functie van Generalist Intelligence, aanspraak heeft op de bezoldiging die bij de functie hoort, dus ook de OVW-periodieken.
1.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat het besluit van 16 december 2014 in rechte vast staat, omdat eiseres daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Verweerder weigert met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het besluit van 16 december 2014 ook voor de periode van 1 juli 2016 tot 6 februari 2020 te herzien, omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Wat vindt eiseres?
2. Eiseres dacht al jaren mee te procederen met groep medewerkers en generalisten intelligence, die eerder bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van 16 december 2014. Na de gewonnen rechtszaak [1] kreeg deze groep medewerkers en generalisten intelligence de OVW-periodieken met volledige terugwerkende kracht. Eiseres kreeg dat niet, omdat zij geen bezwaar zou hebben gemaakt tegen het besluit van 16 december 2014. Eiseres heeft het besluit van 16 december 2014 echter nooit ontvangen. Volgens eiseres moet verweerder aantonen dat dit besluit door haar wel is ontvangen. In het besluit tot plaatsing van eiseres per 1 juli 2016 staat dat zij per die datum aanspraak heeft op de bezoldiging die bij de functie hoort. Eiseres vindt dat haar ten onrechte over de periode van 1 juli 2016 tot 6 februari 2020 aanspraak op OVW-periodieken wordt onthouden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres bij het primaire besluit volledig heeft gekregen waarom zij heeft verzocht. In het verzoek dat namens eiseres is ingediend staat namelijk dat
vanaf de dagtekening van dit verzoekwordt verzocht om nabetaling van OVW-periodieken.
In het bestreden besluit wordt echter ook ingegaan op de stelling van eiseres dat zij met ingang van 1 juli 2016 recht heeft op OVW-periodieken. De rechtbank zal daar ook op ingaan.
3.2.
Het feit dat eiseres om herziening heeft gevraagd van het besluit van 16 december 2014 impliceert dat zij ervan uitgaat dat dit besluit, ook in haar eigen visie, inmiddels in rechte vaststaat. Met een herzieningsverzoek wordt immers het bestuursorgaan gevraagd terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Indien eiseres meende dat nog bezwaar tegen het besluit van 16 december 2014 mogelijk was, omdat zij dit nooit had ontvangen, had zij verweerder moeten verzoeken het besluit van 16 december 2014 alsnog aan eiseres toe te zenden en/of daartegen bezwaar moeten maken.
Daarbij is van belang dat de handelingen van haar toenmalige gemachtigde geacht worden namens eiseres te zijn verricht. Dat eiseres dacht dat zij zich had aangesloten bij de groep collega’s die al eerder procedeerde tegen het niet toekennen van OVW-periodieken, maakt dit niet anders. Het is ook niet zo maar mogelijk zich later aan te sluiten bij een groep collega’s die eerder (tijdig) bezwaar heeft gemaakt tegen het niet toekennen van OVW-periodieken. Daarvoor is vereist dat men zelf tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het niet toekennen van OVW-periodieken. Eiseres heeft echter geen bezwaar gemaakt, maar een later herzieningsverzoek ingediend.
3.3.
Een herzieningsverzoek dient hetzelfde te worden beoordeeld als een herhaalde aanvraag als vermeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.
De rechtbank oordeelt dat verweerder het herzieningsverzoek terecht onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de genoemde uitspraak van 20 augustus 2020, waarin de CRvB oordeelde dat aan de functies generalist en medewerker Intelligence ten onrechte minder dan 24 OVW-punten zijn toegekend niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. Nieuwe rechtspraak is immers geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. [2] Verweerder hoefde in deze uitspraak dan ook geen aanleiding te zien het besluit van 16 december 2014 te herzien in die zin dat eiseres per 1 juli 2016 recht heeft op OVW-periodieken.
Dat in het plaatsingsbesluit van 10 juni 2017 staat dat eiseres aanspraak heeft op de bezoldiging die bij haar functie hoort, maakt dit niet anders. Op dat moment stond nog niet vast dat aan de functie van generalist intelligence 24 of meer OVW-punten moesten worden toegekend. Dit plaatsingsbesluit is evenmin aan te merken als een nieuw gebleken feit of gewijzigde omstandigheid.
3.4.
De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die het evident onredelijk maken dat verweerder voor de periode vóór 6 februari 2020 niet terugkomt van het besluit van 16 december 2014.
3.5.
Het beroep is ongegrond.
3.6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1961.
2.Zie punt 4.3 van de uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2715