ECLI:NL:CRVB:2021:2715
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugkomen van besluit stimuleringspremie ambtenaar Belastingdienst
Appellant, voormalig ambtenaar bij de Belastingdienst, verzocht om terug te komen van een besluit uit 2016 waarin zijn verzoek om ontslag met toekenning van een stimuleringspremie werd afgewezen. De staatssecretaris van Financiën wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die heroverweging rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat het bestuursorgaan bevoegd is om herhaalde aanvragen te weigeren als geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, overeenkomstig artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoewel de situatie van appellant vergelijkbaar was met eerdere zaken waarin de stimuleringspremie ten onrechte werd geweigerd, had appellant niet tijdig bezwaar gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. De Raad oordeelde dat dit geen grond is voor herziening van het besluit jegens appellant. Er waren ook geen bijzondere omstandigheden die het besluit evident onredelijk maakten.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het besluit wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.