ECLI:NL:RBDHA:2022:6084
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardebepaling woning en aanslag onroerende-zaakbelasting
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door verweerder op €370.000 werd gesteld voor het jaar 2020. Eiser stelde een lagere waarde van €355.000 voor, onderbouwd met verkoopcijfers van vergelijkbare woningen. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatieverslag en een matrix van vergelijkingsobjecten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder is niet gebonden aan de instructies van de Waarderingskamer en mocht vergelijkingsobjecten kiezen die het beste aansluiten bij het wettelijke waardebegrip. Ook is voldoende rekening gehouden met verschillen tussen de woningen en omgevingsfactoren.
Eiser had aangevoerd dat onvoldoende rekening was gehouden met hinder door geluidsoverlast en bestemmingsverkeer, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank concludeerde dat de waarde en de daarop gebaseerde aanslag terecht zijn vastgesteld.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was overschreden, waardoor verweerder werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 en een proceskostenvergoeding van €759 aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E. Kiers op 23 juni 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde is ongegrond verklaard, maar verweerder is veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten wegens termijnoverschrijding.