Eisers dienden op 1 november 2019 hun eerste asielaanvragen in Nederland in, die niet werden behandeld vanwege de Dublinverordening en de verantwoordelijkheid van Denemarken. Na het verstrijken van de overdrachtstermijn werd Nederland verantwoordelijk en dienden eisers opvolgende aanvragen in op 31 augustus 2020. Verweerder verleende verblijfsvergunningen met ingang van 24 oktober 2020, wat eisers betwistten.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet de vergunning moet ingaan op de datum van ontvangst van de opvolgende aanvraag, hier 31 augustus 2020. De eerdere aanvragen waren onherroepelijk afgehandeld, waardoor geen grond bestaat om de ingangsdatum terug te dateren naar de eerste aanvraagdatum.
De rechtbank oordeelt dat deze systematiek niet in strijd is met internationale richtlijnen zoals de Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn met eerdere zaken waarin ambtelijke fouten speelden.
De bestreden besluiten worden vernietigd voor zover zij een ingangsdatum van 24 oktober 2020 vermelden, en de ingangsdatum wordt vastgesteld op 31 augustus 2020. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 2.277,-.