ECLI:NL:RVS:2020:1895
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- A.W.M. Bijloos
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijfsvergunning asiel en toewijzing met terugwerkende kracht
De vreemdeling diende twee asielaanvragen in; de eerste werd buiten behandeling gesteld omdat Italië verantwoordelijk werd geacht. De staatssecretaris nam dit besluit echter later terug en verleende een verblijfsvergunning op basis van de tweede aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de staatssecretaris ten onrechte de eerste aanvraag niet als ingangsdatum van de verblijfsvergunning heeft gehanteerd. De eerste aanvraag van 2 januari 2016 had als ontvangstdatum moeten gelden volgens artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 21 maart 2019. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen acht weken een verblijfsvergunning te verlenen met ingang van 2 januari 2016. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.837,50.
De tweede grief van de vreemdeling leidt niet tot verdere vernietiging omdat deze geen belang heeft voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 augustus 2020 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en de verblijfsvergunning asiel wordt toegekend met ingang van 2 januari 2016.