Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 17 juni 2022 staandegehouden en vervolgens in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was omdat zijn identiteit direct vastgesteld kon worden via het vertrekdossier, en dat de bewaring onrechtmatig was omdat de overdrachtstermijn volgens hem was verstreken.
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding terecht was, omdat eiser geen geldig identificerend document had en herkenning via een foto uit het vertrekdossier niet volstaat voor vaststelling van identiteit. De bewaring werd opgeheven door verweerder op 28 juni 2022, waarna de rechtbank het beroep behandelde.
De rechtbank stelde vast dat de overdrachtstermijn niet was verstreken, omdat deze op 8 maart 2022 was verlengd tot 18 maanden vanwege vertrek met onbekende bestemming. De gronden voor de bewaring, waaronder het risico op ontduiking van toezicht, werden niet betwist en waren voldoende.
Eiser stelde dat het Detentiecentrum Rotterdam niet voldeed aan de criteria van een speciale inrichting van bewaring, maar de rechtbank verwierp dit op basis van eerdere uitspraken en het arrest Landkreis Gifhorn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.