Eiser betoogde dat het Detentiecentrum Rotterdam niet als speciale inrichting voor bewaring kan worden aangemerkt, omdat vreemdelingen en strafrechtelijke gedetineerden onder hetzelfde regime vallen en vreemdelingen geen eigen cel, onbeperkte internettoegang of werkmogelijkheden hebben. De rechtbank beoordeelde deze punten aan de hand van het arrest K. van het Hof van Justitie en concludeerde dat het detentiecentrum wel degelijk voldoet aan de criteria van een speciale inrichting voor bewaring.
De rechtbank stelde vast dat vreemdelingen strikt gescheiden worden gehouden van strafrechtelijke gedetineerden, dat het regime voor vreemdelingen afwijkt van dat voor strafrechtelijke gedetineerden en dat het personeel specifiek is opgeleid voor vreemdelingenbewaring. De beperkingen zoals bezoekregeling, smartphonegebruik, meerpersoonscellen en verbod op arbeid zijn volgens de rechtbank binnen de grenzen van wat strikt noodzakelijk is voor een doeltreffende terugkeerprocedure.
Hoewel de toegang tot internet beperkt is, acht de rechtbank deze beperking niet zodanig zwaarwegend dat het detentiecentrum niet als speciale inrichting kan worden aangemerkt. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser, ondanks vertraging door weigering van een PCR-test door eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.