Betrokkene kreeg een verkeersboete van €249 wegens het door rood rijden op 17 december 2020 te Voorburg. Administratief beroep werd ingesteld, maar de officier van justitie verklaarde dit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden. Betrokkene stelde vervolgens beroep in bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de officier van justitie niet aannemelijk kon maken dat de stukken tijdig aan de advocaat van betrokkene waren verstrekt, wat in strijd is met artikel 7:18, vierde lid, Awb. Daarom werd de beslissing van de officier van justitie vernietigd.
De verkeersboete zelf bleef echter in stand, omdat de overtreding voldoende was bewezen met digitale foto’s die het door rood rijden bevestigen. De kantonrechter kende betrokkene een proceskostenvergoeding toe vanwege de noodzaak van het instellen van het beroep door het niet tijdig toezenden van stukken door de officier van justitie.
De advocaat van betrokkene was aanwezig bij de zitting, betrokkene zelf was verhinderd. De kantonrechter verwees naar vaste jurisprudentie en gaf een uitgebreide motivering voor het oordeel over de ontvankelijkheid en de inhoudelijke beoordeling van de verkeersboete.
De uitspraak werd openbaar gedaan op 28 juni 2022 door kantonrechter Waasdorp, met griffier R. Yusuf.