Eiseres, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard, kreeg een IVA-uitkering toegekend op basis van het dagloon berekend over een referteperiode van 15 juli 2018 tot 14 juli 2019. Verweerder stelde de eerste ziektedag vast op 23 juli 2019, wat eiseres niet betwistte, hoewel zij stelde dat zij eerder klachten had en op die dag slechts uit voorzorg stopte met werken. De rechtbank oordeelde dat de eerste ziektedag correct was vastgesteld en dat de referteperiode juist was bepaald.
De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit, dat het dagloon berekent op basis van het loon in de referteperiode, waarbij de startersregeling niet op eiseres van toepassing was omdat zij in het eerste aangiftetijdvak loon had genoten. Eiseres betoogde dat de strikte toepassing van deze regeling in haar situatie tot een onevenredig nadelige financiële uitkomst leidt, vooral omdat zij een IVA-uitkering ontvangt die tot aan de pensioengerechtigde leeftijd doorloopt.
De rechtbank erkende dat het Dagloonbesluit een uniform systeem nastreeft en materiële wijzigingen niet geheel kan uitsluiten, maar stelde dat toepassing in dit concrete geval leidt tot een kennelijk onredelijke en onevenredige uitkomst. Gezien haar jonge leeftijd, plotselinge en volledige arbeidsongeschiktheid en korte arbeidsverleden achtte de rechtbank het passend om de dagloonbepaling buiten toepassing te laten. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin een alternatieve rekenmethode werd voorgesteld, en beval verweerder aan binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.