Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser/verzoeker, hierna: eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopIn het besluit van 5 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Overwegingen
Wel heeft eisers gemachtigde op zitting een paar voorbeelden uit het opvolgend gehoor benoemd waaruit is op te maken dat de vertaling of verslaglegging van eisers verklaringen niet op alle punten even zorgvuldig en duidelijk is geweest. De rechtbank ziet echter geen grond voor het oordeel dat die verslaglegging zo onzorgvuldig is gedaan dat dit van invloed is geweest op de beoordeling van eisers verklaringen met betrekking tot zijn gestelde verdieping in het christendom en zijn gestelde homoseksuele geaardheid. Bovendien heeft verweerder in reactie op de door eiser genoemde voorbeelden terecht opgemerkt dat hetgeen eiser bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen wordt tegengeworpen niet is terug te leiden tot de genoemde vertaalfouten dan wel fouten in de verslaglegging. De beroepsgrond slaagt niet.
In het bestreden besluit heeft verweerder ook ten aanzien van de door eiser vergaarde kennis over het christendom overwogen dat uit hetgeen eiser daarover bij het opvolgende gehoor heeft verklaard niet blijkt van een diepgaande overtuiging. In het besluit licht verweerder dit standpunt echter niet toe aan de hand van voorbeelden van aan eiser gestelde kennisvragen en zijn antwoorden daarop. Eerst in het verweerschrift en ter zitting nader heeft verweerder geduid welke kennisvragen zijn gesteld aan eiser. Dit gebrek aan het besluit is een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dat gebrek echter passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [9] en legt hieronder uit waarom zij dat doet.
In het gehoor zijn weliswaar slechts enkele specifieke kennisvragen gesteld aan eiser, zoals de vraag waarom het verschonen van eisers zonden middels doop persoonlijk zo belangrijk is voor eiser. Ook heeft verweerder wat summier de antwoorden op de kennisvragen betrokken in de besluitvorming, maar die antwoorden kunnen niet opwegen tegen het feit dat eiser ook volgens de rechtbank geen overtuigende verklaringen heeft afgelegd over de gestelde verdieping in en zijn kennis van het christendom. Dit terwijl eiser, zo blijkt uit het verslag van het opvolgende gehoor, voldoende gelegenheid heeft gehad om in zijn antwoorden op alle vragen zijn gestelde toegenomen kennis te kunnen verwerken. Dit geldt temeer tegen de achtergrond van het toetsingskader en de verzwaarde bewijslast bij opvolgende aanvragen. Daar komt nog bij dat verweerder in het verweerschrift heeft toegelicht dat eiser, ook volgens de rechtbank, niet alle hem gestelde kennisvragen overtuigend heeft kunnen beantwoorden. Als voorbeeld heeft verweerder hierbij terecht genoemd eisers antwoorden op de vragen aan welk Bijbelverhaal hij de meeste waarde hecht en welke voor eiser het mooiste of belangrijkste liedje is dat in de kerk wordt gezongen.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling loopt, ook als zijn gestelde bekering niet geloofwaardig is?7. Met betrekking tot wat eiser heeft aangevoerd over de monitoring door de Iraanse autoriteiten van eisers christelijke activiteiten in Nederland, overweegt de rechtbank als volgt. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk bekeerd is tot het christendom, mag van eiser verwacht worden dat hij de berichten op de sociale media accounts verwijdert waaruit van die gestelde bekering zou kunnen blijken. Daar komt bij dat verweerder heeft gesteld dat uit algemene informatie uit openbare bronnen blijkt dat Iraniërs bij terugkomst een verklaring kunnen ondertekenen dat zij hebben gelogen over hun gestelde bekering tot het christendom waardoor de persoon geen risico loopt bij de autoriteiten. Nu is vastgesteld dat eisers bekering tot het christendom niet geloofwaardig is, mag van hem worden verwacht dat hij deze verklaring ondertekent bij terugkeer naar Iran. Dit is door eiser niet betwist. De verwijzing naar de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 20 februari 2022 leidt niet tot een ander oordeel nu deze uitspraak ziet op de risico’s bij terugkeer voor vreemdelingen waarvan de bekering geloofwaardig is geacht. Daar is in het geval van eiser geen sprake van.
De hierboven opgeworpen rechtsvraag wordt door de rechtbank dus ontkennend beantwoord. De beroepsgrond slaagt niet.