Eiser werd verdacht van belastingfraude en onjuiste inlichtingen, waarna op 12 december 2011 een doorzoeking, aanhouding en conservatoir beslag plaatsvonden. Na vrijspraak in 2017 en 2019 vorderde eiser schadevergoeding wegens onrechtmatige vervolging en dwangmiddelen. De Staat verweerde zich primair met verjaring van de vordering.
De rechtbank oordeelt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen direct na de eerste toepassing van dwangmiddelen op 12 december 2011. Eiser had uiterlijk op 13 december 2016 de Staat aansprakelijk moeten stellen of de verjaring stuiten, wat niet is gebeurd. Eiser stelde zich op het standpunt dat de verjaring pas in 2018 begon, maar dit wordt verworpen omdat bekendheid met de juridische beoordeling niet vereist is voor aanvang van de verjaring.
Het beroep van eiser dat het verjaringsberoep onaanvaardbaar is vanwege het gelijkheidsbeginsel en de toeslagenaffaire wordt verworpen. De rechtbank benadrukt dat alleen in uitzonderlijke gevallen het verjaringsberoep onaanvaardbaar is en dat eiser onvoldoende feiten aanvoert om dat te onderbouwen.
De vorderingen tot schadevergoeding en verklaring voor recht worden afgewezen wegens verjaring. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van de Staat zijn begroot op €9.182,-. Het vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en op 17 augustus 2022 uitgesproken.