Eiser, een Russische activist en lid van een etnische minderheid, vroeg asiel aan vanwege politieke vervolging en het risico op uitlevering aan Azerbeidzjan. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Russische inlichtingendiensten stond of dat uitlevering aan Azerbeidzjan dreigde.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht het gebrek aan geloofwaardigheid van eiser inzake zijn contacten met de FSB en het uitleveringsrisico had vastgesteld. Echter, de rechtbank stelde vast dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen fundamentele politieke overtuiging zou hebben, ondanks zijn kritiek op Poetin en steun aan Oekraïne.
Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en gaf de staatssecretaris zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelde de rechtbank de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van eiser.