Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser, en zijn kinderen:
[kind 2] ,
Rechtbank Den Haag
Eiser, met Ugandese nationaliteit, kreeg in 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Verweerder trok deze vergunning in 2021 met terugwerkende kracht in en wees de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd af, mede vanwege onjuiste informatie over identiteit, reisroute en asielrelaas.
Eiser voerde aan dat hij slachtoffer was van identiteitsfraude en dat zijn homoseksualiteit geloofwaardig was onderbouwd, en stelde dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en goede procesorde. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht twijfelde aan de identiteit van eiser op basis van biometrisch bewijs en reisgegevens, en dat de verklaringen over zijn homoseksualiteit niet geloofwaardig waren omdat de beschreven incidenten niet konden hebben plaatsgevonden.
Verder werd geoordeeld dat het opgebouwde privéleven in Nederland onvoldoende gewicht had vanwege de misleiding van de overheid door eiser. Ook het belang van de staat bij een restrictief vreemdelingenbeleid woog zwaarder dan het belang van de kinderen bij voortzetting van hun privéleven in Nederland. Het opgelegde inreisverbod werd als proportioneel beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.