ECLI:NL:RBDHA:2022:8833

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 september 2022
Publicatiedatum
2 september 2022
Zaaknummer
NL22.4955
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 42 VwArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op asielaanvraag en oplegging rechterlijke dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag van 6 september 2021. De rechtbank constateert dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken en dat eiser verweerder rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van het beroep.

De rechtbank overweegt dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND sinds 11 juli 2021 het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen uitsluit, maar dat dit niet in strijd is met het Unierecht. Wel verklaart de rechtbank het deel van de Tijdelijke wet onverbindend dat de rechter de mogelijkheid ontzegt om een rechterlijke dwangsom op te leggen.

De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen en legt een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €7.500. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser ad €379,50.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt op binnen acht weken een besluit te nemen en legt een dwangsom op tot maximaal €7.500.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.4955

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

ProcesverloopEiser heeft op 23 maart 2022 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag van 6 september 2021 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vw(asielaanvraag).

Nadat partijen zijn gewezen op hun recht om op zitting te worden gehoord, heeft geen van hen binnen de gegeven termijn laten weten van dat recht gebruik te willen maken. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op het beroep van eiser is van toepassing de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND zoals deze luidt sinds 11 juli 2021 (Tijdelijke wet).
2. Verweerder heeft bij brief van 26 april 2022 verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van het oordeel van de Afdeling [2] in de zaken die zij heeft geregistreerd onder de nummers 202102128/1/V1 en 202102144/1/V1. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding, omdat de Afdeling in die al zaken heeft beslist op 6 juli 2022 [3] .
3. Op grond van artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet zijn op besluiten op asielaanvragen de artikelen 4:17 tot en met 4:19, afdeling 8.2.4a en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb [4] niet van toepassing. Artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Awb wordt daarin niet meer genoemd. Dat betekent dat het vanaf 11 juli 2021 weer mogelijk is om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag, maar dat de vreemdeling daarmee niet kan bereiken dat dwangsommen in de zin van de Awb worden verbeurd of opgelegd.
4. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb beroep kan worden ingesteld.
5. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
6. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw, voor zover hier van belang, wordt op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro deze wet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
7. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken, dat eiser verweerder bij brief van 8 maart 2022 rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat hierna meer dan twee weken zijn verstreken. Daarmee is aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb voldaan. Het beroep is daarom gegrond.
8. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Hij betoogt in dat verband - kort samengevat - dat de Tijdelijke wet het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen ten onrechte en in strijd met het Unierecht uitsluit.
9. De rechtbank is van oordeel dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet, voor zover dit het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen uitsluit, niet in strijd is met het Unierechtelijk gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel en evenmin met artikel 47 van Pro het Handvest. De rechtbank sluit zich voor wat betreft de motivering op deze punten aan bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 24 maart 2022 [5] . De rechtbank stelt dan ook vast dat geen bestuurlijke dwangsom is verbeurd.
10. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld [6] dat de Tijdelijke wet de rechter belet om de aan het Unierecht ontleende rechten doeltreffend te beschermen en heeft artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet, zoals dit luidt sinds 11 juli 2021, daarom onverbindend verklaard voor zover daarin de bestuursrechter de mogelijkheid wordt ontzegd aan overschrijding door verweerder van een door de bestuursrechter gestelde termijn een dwangsom te verbinden. Dit betekent dat de bestuursrechter verweerder op kan dragen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en aan het niet naleven daarvan een dwangsom kan verbinden op grond van artikel 8:55d en/of artikel 8:72, zesde lid, van de Awb.
11. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of als de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
12. In de uitspraak van 8 juli 2020 [7] heeft de Afdeling vastgesteld dat een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend is. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen. In dit geval heeft al wel een nader gehoor plaatsgevonden, op 8 augustus 2022, zodat de rechtbank aanleiding ziet te bepalen dat verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een besluit bekend maakt.
13. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt van € 759,-, bij een wegingsfactor ½).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.ECLI:NL:RBDHA:2022:2641, r.o. 8.2, 8.3 en 9.4.
6.Uitspraak van 20 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7388.