ECLI:NL:RVS:2022:1888
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.J. Borman
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag en dwangsom weigering
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling wel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat een gegrond beroep kan leiden tot een dwangsom. De Afdeling bevestigde dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die bepaalde uitsluitingen in de Awb regelt, onverbindend is wegens strijd met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 van Pro het EU Handvest.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris de termijn om een besluit te nemen rechtmatig had verlengd vanwege de pandemie en dat de ingebrekestelling van de vreemdeling te vroeg was. Daarom is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 21 december 2020, waarbij de aanvraag werd ingewilligd zonder dwangsom, werd ongegrond verklaard. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard; het beroep tegen het besluit van 21 december 2020 is ongegrond.