Eiseres voerde beroep aan tegen vier besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Leiden, waaronder intrekking, herziening, terugvordering van bijstand en afwijzing van bijzondere bijstand. Het college stelde dat eiseres en haar ex-partner een gezamenlijke huishouding voerden, wat leidde tot terugvordering en intrekking van bijstand.
De rechtbank onderscheidde vier perioden en beoordeelde of sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hoewel de verklaring van eiseres over de situatie vanaf 3 maart 2020 aannemelijk maakte dat de ex-partner toen zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, was er onvoldoende bewijs dat dit ook voor de periode van 20 februari 2017 tot 2 maart 2020 het geval was. Anonieme getuigenverklaringen en overige onderzoeksresultaten boden onvoldoende concrete aanwijzingen.
Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen tegen intrekking en afwijzing van bijzondere bijstand ongegrond, maar de beroepen tegen herziening en terugvordering van bijstand gegrond. De besluiten over herziening en terugvordering werden vernietigd en het college werd verplicht het griffierecht en proceskosten aan eiseres te vergoeden.
De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs bij het aannemen van een gezamenlijke huishouding en de noodzaak van zorgvuldige en deugdelijke motivering door het bestuursorgaan.