ECLI:NL:CRVB:2017:1605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M. Kraefft
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1999 bijstand en werd door het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom beschuldigd van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [X.], wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over een lange periode.
Na een onderzoek door de sociale recherche en een eerdere strafrechtelijke vrijspraak wegens uitkeringsfraude, beperkte het dagelijks bestuur de intrekking tot de periode 1999-2005. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep werd overwogen dat het dagelijks bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat [X.] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat er sprake was van wederzijdse zorg, mede gebaseerd op verklaringen van [X.] en getuige [A.]. De Raad verwierp bezwaren tegen de betrouwbaarheid van deze verklaringen en bevestigde het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing is vanwege het gezamenlijk kind en dat het bewijs voldoende was om het besluit te dragen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1999-2005 wordt bevestigd.