ECLI:NL:RBDHA:2022:9031
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.S. Gaastra
- R. Raat
- H. van Eijken
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant wegens niet-erkend referentschap met terugwerkende kracht
Eiser, een Taiwanese kennismigrant, had een verblijfsvergunning voor arbeid bij een erkend referent. Na een demarche van zijn werkgever werd hij per 1 januari 2020 in dienst genomen bij een dochteronderneming die toen nog geen erkend referent was. Verweerder trok daarom de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in vanaf 1 april 2020, na een zoekperiode van drie maanden.
Eiser stelde dat de intrekking onevenredig was omdat hij geen misbruik maakte en niet wist dat de nieuwe werkgever geen erkend referent was, waardoor een verblijfsgat ontstond. De rechtbank toetste het besluit aan artikel 4:84 Awb Pro en het evenredigheidsbeginsel zoals nader uitgewerkt door de Afdeling bestuursrechtspraak.
De rechtbank oordeelde dat het belang van een juiste toepassing van de kennismigrantenregeling zwaar weegt en dat het handelen van de werkgevers en eiser zelf ertoe leidt dat de intrekking niet onevenredig is. Het verblijfsgat en de nadelige gevolgen voor eiser zijn niet onnodig of onevenredig in verhouding tot het doel van het besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning kennismigrant met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.