Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM voor een Ferrari 812 Superfast, waarbij zij de handelsinkoopwaarde van de auto lager stelde dan verweerder. De rechtbank oordeelt dat verweerder de door eiseres voorgestelde handelsinkoopwaarden van referentievoertuigen voldoende heeft betwist en dat eiseres haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat de referentievoertuigen die eiseres gebruikte niet gelijksoortig zijn aan de Ferrari, onder meer vanwege verschillen in nieuwprijs, vermogen en CO2-uitstoot. Verweerder baseerde zich op een hertaxatie van Domeinen Roerende Zaken, waarbij een hogere handelsinkoopwaarde werd vastgesteld. Omdat geen algemeen toepasbare koerslijst bestaat voor dit type auto, is de afschrijving vastgesteld op 19% volgens de tabel in de Uitvoeringsregeling.
Verder oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase, mede vanwege coronamaatregelen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade of proceskostenveroordeling. Het beroep wordt ongegrond verklaard.