ECLI:NL:RBDHA:2022:9278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
15 september 2022
Zaaknummer
NL22.15288
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArtikel 17 DublinverordeningOpvangrichtlijnKwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser diende een asielaanvraag in die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet op de zitting. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er geen beletselen zijn om eiser aan Frankrijk over te dragen. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat overdracht zou leiden tot schending van artikel 4 van Pro het Handvest of risico op indirecte uitzetting.

De rechtbank verwees naar de toepasselijkheid van Europese richtlijnen op de Franse asielprocedure en concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor structurele tekortkomingen. Eiser wordt geacht klachten in Frankrijk in te dienen indien nodig. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.15288
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.15289, op 25 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met een voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat er geen beletselen zijn om eiser aan Frankrijk over te dragen. Verweerder heeft daartoe terecht gesteld dat eiser met documenten noch met verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat zijn overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest [1] . Voor zover eiser in dit verband in zijn zienswijze van 30 juli 2022 heeft gewezen op 'het meest recente AIDA-rapport [2] over Frankrijk’ heeft verweerder onbetwist overwogen dat de inhoud van dit rapport vergelijkbaar is met eerdere rapporten die geen aanleiding vormden om in het geval van Frankrijk af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
3. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat de Opvangrichtijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn van toepassing zijn op de asielprocedure in Frankrijk en dat van structurele tekortkomingen die leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM [3] en artikel 4 van Pro het Handvest niet is gebleken. Dat betekent dat eiser niet wordt gevolgd in zijn niet verder onderbouwde beroep op het risico van indirect refoulement. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 [4] waarnaar eiser heeft verwezen, heeft eiser geen bewijzen overgelegd waaruit blijkt van gegronde redenen om het door hem gestelde risico aan te nemen.
4. Eiser wordt verder geacht in Frankrijk te klagen indien hij van mening is dat Frankrijk zich niet aan deze richtlijnen houdt. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij tevergeefs bij de Franse autoriteiten heeft geklaagd over schending van zijn rechten in de asielprocedure.
5. Verweerder stelt ook terecht dat eiser zich bij problemen met derden in Frankrijk bescherming kan zoeken bij de Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat een en ander in het geval van eiser niet mogelijk of zinloos zou zijn.
6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er voor hem geen aanleiding bestaat om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. Eisers niet geconcretiseerde verwijzing naar de door hem naar voren gebrachte humanitaire aspecten leidt niet tot een geslaagd beroep.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.Asylum Information Database.
3.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.